Het belangrijkste over tuinvogels (en hun voeding)

De winter is hét moment om vogels aan te trekken: in dat seizoen zijn de vogels omwille van de koude naarstig op zoek naar voedsel. Wat ze nu vooral willen zijn zaden, en daar kan je uiteraard makkelijk voor zorgen. Een open deur? Je opdracht is natuurlijk wel het juiste voedsel te voorzien, én op de juiste plaats.
Het belangrijkste onderscheid tussen de verschillende voeders is dat je “gewoon” vogelzaad  hebt en daarnaast zaden die vermengd zijn met andere producten, zoals noten en vet (denk aan de mezenbollen). Hoe groter het vetgehalte van de zaden, hoe liever de vogels ze eten – zonnebloempitten of mengsels met zonnebloempitten kennen daarom een groot succes in de koudeperiode. Er is tegenwoordig veel kant-en-klare voeding te koop (van de genoemde mezenbollen over mussenvoer tot speciale mengsels voor het winterkoninkje) en deze voeding is naast handig meteen het meest aangewezen. Ook kaas, broodkruimels, en stukjes fruit of kokos mogen worden gegeven, maar eerder als aanvulling en geef er ook niet teveel van: dat kan ongedierte als ratten aantrekken. Hou er verder goed rekening mee hoe en vooral waar je voedert.

Aanpak en accessoires

Sommige vogels – zeker de merels en de lijsters – eten immers graag van de grond. Pak het wel slim aan: probeer het voer zo droog mogelijk te houden, dus beschermd tegen regen en sneeuw, anders riskeer je schimmel op het voedsel, wat de vogels ziek kan maken. Met een grondvoedertafel – kant-en-klaar te koop – speel je op veilig.
Daarnaast heb je voederhouders die je kunt ophangen in de tuin of aan het balkon. Afhankelijk van hun uitvoering kan je ze gevuld kopen, of er zelf mezenbollen in steken, of vullen met zaden en/of vetblokjes. Met voederaccessoires die hangen, trek je vooral meesachtigen aan. Het spreekt voor zich dat het traditionele ‘voederhuisje’ met een dakje het vogelparadijs bij uitstek blijft, maar de plaatsing ervan is wel zo belangrijk. Je ‘plant’ het voederhuisje liefst in een ietwat open ruimte, maar ook weer niet te ver van een boom gelegen. Zo zullen de vogels eerst in die boom gaan zitten of hangen, van daaruit de omgeving verkennen, en vervolgens naar het voederhuisje vliegen. Zo kunnen ze de hele tijd het overzicht op de tuin behouden en eventueel gevaar (denk maar aan katten en roofvogels) tijdig opmerken.
Slotsom: om succesvol vogels aan te trekken, moet je rekening houden met hun natuurlijke gedrag en instincten; in wezen zullen ze telkens een kosten-batenanalyse maken. Wie hen dus met zo min mogelijk risico zoveel mogelijk eten aanbiedt, kan rekenen op véél vogels tijdens de koudste maanden van het jaar. En de interactie tussen al die vogels is enorm leuk om naar te kijken. Zeker met een verrekijker is het wonderlijk om te volgen.
Als uitsmijter nog snel een vuistregel over water: ververs het regelmatig genoeg wanneer je het aanbiedt en voorkom zo dat het aanvriest. Vul het niet aan met suiker of warm water, want dat is ongezond voor de vogels. En weet dat wanneer het sneeuwt, het eigenlijk niet strikt nodig is water te voorzien: de vogels pikken dan in de sneeuw om aan vocht te komen.